Foto: Dirk Smets

De Maten : een beetje geschiedenis ...

Meadows

Het woord "Maten" is een vervorming van maden. Maden zijn eigenlijk natte lage weiden. Deze naam is verwant aan het Engelse "meadow" en komt uit het Middelnederlands. Letterlijk vertaald uit het Engels: een perceel voornamelijk begroeid met gras en andere niet houtige planten (grasland). Voor de landbouw betekent het een grasland dat niet begraasd wordt door vee maar dat men ten gepaste tijden maait en hooit.
Water-meadow (ook water meadow of watermeadow) is een grasland waar men door irrigatie de productie verhoogt. In onze contreien noemen we dit vloeiweiden of nog beter waterbeemden.
Deze vloeiweiden waren in Europa in gebruik van de 16de tot het begin van de 20st eeuw. Voor de huidige landbouw zijn deze weiden niet meer rendabel en dus verdwenen ze grotendeels uit het landschap. Maar er zijn nog op vele plaatsen restanten van de grachtenstelsels te vinden. Deze natte tot vochtige weilanden waren dikwijls belangrijke biotopen voor fauna en flora.
Water-meadows moeten niet verward worden met flood-meadows. Flood-meadows zijn terreinen die, bij hoog water, door een rivier tijdelijk overstromen. Bij ons is dit beter gekend als "uiterwaarden".
Al heel vroeg (begin 16de eeuw) werden er in de Maten en de omgeving hiervan, waterbeemden aangelegd om een betere opbrengst van hooi te bekomen. De maat (= eerste hooioogst van het jaar) was voor de boeren die de gronden bewerkten, maar in Genk was het gebruikelijk om de toemaat (of achtermaat) openbaar te verkopen. De opbrengst hiervan ging naar de armentafel, zeg maar naar het OCMW om de sukkelaars te onderhouden.
Door dit gebruik wordt het hele gebied "De Maten" genoemd.Franse Vijver



De Franse Vijver

De naam "Franse Vijver" werd teruggevonden op een oude kaart.
Het was voor de tweede wereldoorlog effectief een vijver.
Waarschijnlijk werd de vijver onteigend of toch gedeeltelijk opgeŽist voor de bouw van de nu nog bestaande bunker(s).
Na de oorlog is de vijver niet meer hersteld en verlandde nagenoeg volledig.
Het beheerteam van de Maten is hier bezig om het perceel opnieuw meer openheid te geven.





ijzerbraakmolen

IJzerbraakmolen

Opzoekwerk in archieven door leden van de heemkundige kring van Diepenbeek, bracht een paar wetenswaardigheden over het gebied aan het licht. Op oude kaarten vond men aanwijzingen dat er zich een watermolen moet bevonden hebben, op een soort eiland aan de Stiemerbeek en dit ter hoogte van de Augustijnenvijver. Het zou gaan om een ijzerbraakmolen, niet een ijzersmeedmolen. Deze vondst over een watermolen werd bevestigd door briefwisseling tussen de graven van Loon enerzijds en het Prinsbisdom Luik anderzijds. Hierin bekloegen de Heren van Luik zich bij de Graven dat de ijzerbraakmolen te veel water nam van de Stiemerbeek, zodat hun stroomafwaarts gelegen molens niet meer genoeg water hadden om behoorlijk te kunnen werken. Een andere aanwijzing is het feit dat de plaats waar de Stiemer onder het Albertkanaal door gaat (dit is waar de parking voor het vertrek van de wandelingen is gelegen) de Pengel heet. Een pengel is namelijk het punt waar men de hoogte meet van het opgestuwde water voor een watermolen.
Een andere ontdekking die hiermee verband houdt zijn restanten, gevonden in de oude Stiemerbeek, die erop wijzen dat er zich mogelijk een smeltoven van ijzererts in de nabijheid bevond. IJzererts werd dus niet alleen gedolven en gebroken op de plaats waar zich nu de Augustijnenvijver bevindt, maar ook gesmolten. Omdat het plaatselijke ijzeroer weinig onzuiverheden bevatte zoals fosfor en zwavel, kon men ondanks de toen ambachtelijke werkwijze toch kwaliteitsvol ruwijzer produceren. Deze ontginning was waarschijnlijk de eerste aanzet tot de vorming van de Augustijnenvijver.

Verdedigingslinie uit de Tweede Wereldoorlog

Langs het Albertkanaal werden net voor de Tweede Wereldoorlog vier sluizen (Diepenbeek, Hasselt, Olen en Genk; in Kwaadmechelen is deze nooit gebouwd) voorzien van een bruggenhoofd ter verdediging van deze "zwakke punten". Deze bruggenhoofden bestonden uit bunkers en een antitankversperring. Via de sluizen kon men ook het kanaal namelijk tot aan de rand vullen of het water lozen. Men bouwde ook op de westelijke dijk talrijke bunkers en weerstandsnesten op gezichtsafstand van elkaar.

bunker Bunkers

In het deelgebied bevinden zich nog twee bunkers (B1 en B2). Een derde bunker (B3) bevindt zich aan de andere kant van de Havenlaan. Ze waren in mei 1940 een onderdeel van de verdedigingsgordel voor het sas van Diepenbeek samen met onder andere nog twee bunkers, prikkeldraad- en antitank versperringen. In Diepenbeek was ook het plan opgevat om een antitankgracht te bouwen, maar deze is er nooit gekomen. In afwachting hiervan werden er dus wel antitankversperringen geplaatst. Bij de bouw van deze verdediging werd ook rekening gehouden met de topografie van het terrein dat in Diepenbeek moerassig was.

De bunkers langs het kanaal zijn zeer vergelijkbaar met andere bunkers uit de periode 1939-1940, onder andere van de KW-Linie en de bunkergordel bruggenhoofd Gent. Al de bunkers van de bruggenhoofden langs de sluizen van het Albertkanaal hadden gemeenschappelijke karakteristieken: de muren van gewapend beton waren 1,3 meter dik, er waren twee tot vier wapenkamers, er waren haken op het dak voor de bevestiging van camouflagemateriaal, de luiken waren gemaakt van gegalvaniseerd staal en niet meer van hout en naargelang de aard van het terrein werden de bunkers op Frankipalen gebouwd. Verder zijn er bij de drie bunkers in Diepenbeek nog andere elementen aanwezig die kenmerkend zijn voor bunkers uit deze periode: alle bunkers hebben "granaatgaten" ter bescherming tegen de vijand die munitie in de bunkers zou willen gooien. De bunkers hebben een ijzeren golfplaten plafond als verloren bekisting waarop beton gestort is. De bunkers zijn voorzien van kijksleuven, aan de buitenzijde bekroond met een klein druiplijstje. Alle bunkers hebben een nooduitgang. De bunkers zijn voorzien van oreillons; dit zijn zijmuren die doorgetrokken werden tot voorbij het schietgat zodat deze uit het zicht bleven. De bunkers werden verder ook voorzien van ventilatieschachten en kabeldoorgangen. Bunkers B2 en B3 hebben drie schietzijden en bunker B1 heeft vier schietzijden. Ten gevolge hiervan zijn bunkers B2 en B3 driekamerbunkers en is bunker B1 een vierkamerbunker. In bunker B2 zijn nog enkele interieurelementen aanwezig: zo zijn er in elke kamer kapstokken aanwezig voor het ophangen van materiaal en is er nog een T-tablet aanwezig voor de opstelling van een Maximemitrailleur.

Cointet Antitankversperring

Een laatste nog overblijvend onderdeel van een antitankversperring zag weer het daglicht tijdens de beheerwerken op het perceel "De Franse vijver". Het is een metalen cilindervormige constructie die volgestort is met beton en die met lange ijzeren pennen, waarschijnlijk treinrails, in de bodem steekt. Het is een verankeringpunt voor een Cointet-element.
Een Cointet-element (Fr), Belgische poort (Nl) of C-element (D), is een loodzware metalen antitank constructie. Zo'n 20.000 van deze elementen vormden tijdens de Tweede Wereldoorlog de basis van de verdedigingslinie tussen Koningshooikt en het Waals-Brabantse Waver, ook genoemd de KW-linie of ijzerenmuur. De KW-stelling behoorde samen met de fortengordels rond Luik en Antwerpen tot de kern van de Belgische verdediging tot 1940. Deze linie werd ontworpen en gebouwd als verdediging tegen een Duitse invasie in centraal BelgiŽ.

De Cointet-elementen waren zoín 3m breed en 2m hoog en op rollen gemonteerd. Hiermee konden de toegangen (bruggen, wegen, ...) worden gebarricadeerd. De elementen werden naast elkaar opgesteld en met kettingen aan elkaar vast gemaakt. Om te voorkomen dat vijand de muur van elementen zou wegschuiven werden deze verankerd aan betonnen palen. En het is zulk een paalconstructie, "borne Cointet" genoemd, die in de Maten te voorschijn is gekomen. Het blijkt dat er in Limburg nog maar een vijftal van deze originele constructies te vinden zijn.




Lees meer Terug naar de hoofdpagina van De Maten